Wilde kat (Felis silvestris)

De wilde kat (Felis silvestris) is een roofdier uit de familie der katachtigen (Felidae). Het is de wilde voorouder van de huiskat. De wilde kat komt voor in het grootste gedeelte van Europa, Afrika en Zuidwest- & Centraal-Azië.

Kleur en leefgebied

De wilde kat heeft een lichtgele tot donkergrijze vacht met een vaag strepenpatroon en een geringde staart. Ze komen voor in loofbossen, bosranden, en op halfwoestijnen, steppen en savannen.

Ondersoorten

De wilde kat kent meerdere ondersoorten. De onomstreden vier vormen staan hieronder vermeld. Aangetekend moet worden dat er deskundigen zijn die meer ondersoorten onderscheiden, die elk verwant zijn aan een van onderstaande vier hoofdgroepen. Voor meer informatie over deze ondersoorten, zie de artikelen over de betreffende ondersoort:

Jagen

De wilde kat is een solitaire soort, die in de schemering of 's nachts op jacht gaat Hij jaagt voornamelijk op knaagdieren, haasachtigen en vogels. Soms grijpt hij ook andere kleine en middelgrote zoogdieren, kikkers, reptielen, vissen en insecten. Ook plantaardig voedsel staat op zijn dieet. De wilde kat eet echter zelden aas

Kittens

In de paartijd, die in het voorjaar plaatsvindt, vergroot de kater zijn gebruikelijke territorium en markeert dit frequenter dan normaal met urine. De poezen zijn ongeveer zes dagen lang krols en zijn dan bereid tot paring. Na een draagtijd van 60 tot 70 dagen worden tussen de een en vijf jongen geboren op een beschutte plek, bijvoorbeeld een boomholte of een spleet tussen de rotsen.

Bedreiging

Hybridisatie met verwilderde katten vormt in vele gebieden de grootste bedreiging voor het voortbestaan van de ondersoorten. Deze bastaardering lijkt in Europa voornamelijk voor te komen in gebieden waar de populaties versnipperd zijn geraakt. In herstelde populaties komen bastaarden minder voor. In bepaalde gebieden in bijvoorbeeld Israël zijn echter zoveel kruisingen voorgekomen, dat er geen raszuivere dieren meer voorkomen.

 

 

 

foto:Mihai Baciu