Wasbeerhond (Nyctereutes procyonoides)

 

De wasbeerhond of marterhond (Nyctereutes procyonoides) is een roofdier uit de familie der hondachtigen (Canidae). Hij komt oorspronkelijk voor in Oost-Azië, maar tegenwoordig leven er ook verwilderde exemplaren in Europa. Hij dankt zijn naam aan een opvallende gelijkenis met de gewone wasbeer (Procyon lotor). De vacht wordt gebruikt in luxekleding.

Een volwassen dier wordt 50 tot 55 centimeter lang en de staart is ongeveer 15 centimeter lang. Wasbeerhonden hebben een geelachtig bruine grondkleur. Op de kop zijn de dieren zwart met wit, de poten zijn donker evenals een deel van de staart. De wasbeerhond heeft een zwart masker rond zijn ogen. 's Winters krijgt de wasbeerhond een dikkere vacht en een vetlaag, waardoor hij er ronder uitziet dan in de zomer. Tussen september en november begint de ondervacht te groeien, in mei en juni wordt hij vervangen door een dunnere zomervacht.

De wasbeerhond lijkt veel op de (onverwante) wasbeer, en kan makkelijk met dit dier verward worden. Met name de kop, met het opvallende donkere gezichtsmasker, doet sterk aan een wasbeer denken. De wasbeerhond is groter dan de wasbeer, met een kortere, egaal gekleurde staart en heeft kortere oren.

De wasbeerhond is een nachtdier, dat zich zowel met dierlijk als plantaardig voedsel voedt. Hij eet zowel knaagdieren, amfibieën, hagedissen, vissen, insecten en vogels als vruchten, noten en knollen. Ook eet hij afval en aas. In de herfst maken bessen en andere vruchten een belangrijk deel uit van zijn dieet.

In koude streken houdt hij waarschijnlijk een winterslaap. Het is de enige hondachtige waarvan dit gedrag bekend is. De wasbeerhond is gedurende de winter inactief, maar zijn lichaamstemperatuur daalt niet.

Wasbeerhonden zijn monogaam en leven in paren of in kleine familiegroepjes met de jongen van het vorige nest. Het hol is meestal een verlaten hol van een vos of een ander dier. Ook maken ze een hol onder boomstammen, in dichte bosjes of tussen de rotsen. Ze zijn niet territoriaal. Over het sociale gedrag in het wild is weinig bekend, maar in gevangenschap is gebleken dat de dieren banden met andere wasbeerhonden aangaan, en samen eten, voor de welpen zorgen en vreemdelingen aanvallen. Zowel wilde wasbeerhonden als dieren in gevangenschap leggen latrines aan, waar alle dieren zich ontlasten.

De paartijd valt in februari en maart. De jongen worden na een draagtijd van 59 tot 64 dagen in april en mei geboren. Er kunnen 2 tot 19 welpen worden geboren, maar meestal zijn het er 5 tot 8. Na 25 tot 30 dagen eten ze vast voedsel en na acht weken worden de dieren gespeend. Beide ouders zorgen voor de jongen en brengen eten. In september verlaten de meeste jongen het ouderlijk woongebied, maar sommigen blijven bij de ouders overwinteren. Na negen tot elf maanden zijn ze geslachtsrijp.

In gevangenschap kan een wasbeerhond maximaal elf jaar oud worden, maar in het wild worden ze meestal maar een jaar of drie, vier. De belangrijkste vijand van de wasbeerhond is de wolf.

Wasbeerhonden leven vooral in bossen nabij rivierdalen. Ook op grazige vlakten, in landbouwgebieden, buitenwijken en vlakbij meren kan hij worden aangetroffen. Ze hebben een voorkeur voor vochtige loofbossen met een dichte ondergroei.

Het oorspronkelijke leefgebied is Oost-Azië. Daar leven de wasbeerhonden in het uiterste zuidoosten van Siberië, Korea en Mantsjoerije. Westwaarts komen ze voor tot Mongolië, en zuidwaarts tot Vietnam. Het is ook een algemene diersoort in Japan, waar ze tanuki worden genoemd en een belangrijke rol in de Japanse cultuur spelen.

Wasbeerhonden zijn in de jaren 30 in Oost-Europa ontsnapt uit pelsdierboerderijen. In de jaren 50 zijn ze expres uitgezet in West-Rusland en verwilderd, om te dienen als nieuw jachtdier. Ze komen nu in het grootste gedeelte van Noord- en Oost-Europa en in West-Rusland voor, met uitzondering van het zuiden.

In Nederland en België zijn de dieren waarschijnlijk zeldzaam, maar in delen van Duitsland zijn ze snel aan het oprukken, zoals blijkt uit de afschotcijfers: in het jachtseizoen 1994-95 werden 407 dieren in de BRD geschoten; in het jachtjaar 2005-06 waren dat al 30.016 dieren.

In 2000 is de eerste met zekerheid in Nederland gevonden. Sommigen denken dat er nu tientallen rondlopen, maar het is ook mogelijk het hoogstens een paar verdwaalde dieren zijn. De verwachting is dat de aantallen in Nederland zullen toenemen. Het dier is dus een exoot en wordt als schadelijk gezien. Het aantal mag worden beperkt door afschot.

 

foto:mihai baciu